Droge stof tester


De drogestoftester is ontwikkeld in samenwerking met dairyconsult

 

voor info en prijzen kunt u hier mailen


De drogestoftester is een eenvoudig apparaat, ontworpen om snel en nauwkeurig het drogestofgehalte van voedermiddelen te bepalen.

De tester droogt het voer door er warme lucht (~120 oC) doorheen te blazen.

De tester bestaat uit een metalen koker (1). Het voermonster moet in de metalen zeef (2) worden afgewogen, en deze zeef past precies bovenin de metalen koker (1).

Het apparaat wordt gevoed door middel van 230 Volt netspanning. Aan en uitschakelen dmv handbediende schakelaar

Het voermonster dient te worden afgewogen met behulp van de eventueel bijgeleverde weegschaal (3).

  

 

 

 

   

 

Handleiding

U bepaalt het drogestofgehalte van uw voermiddel in twee stappen. De eerste stap is het nemen van het monster. Vervolgens meet u het drogestofgehalte met het drogestoftester. Beide stappen staan hieronder beschreven.

 


Bemonstering

Het nemen van het monster voor de drogestofbepaling is het belangrijkste moment van de drogestofbepaling. Het doel is een zo representatief mogelijk monster van het voer te nemen.

Kuilen

U neemt kleine beetjes voer uit het snijvlak van de kuil, door de kuil van boven tot beneden te bemonsteren (afstand tussen monstertjes ca 10 cm). Doe de monstertjes in een emmer. Herhaal dit 1 of twee keer, zodat u de kuil op 2 of 3 plekken van boven tot beneden bemonsterd hebt. Zorg bij het nemen van elk monstertje dat u het voer eerst een beetje wegschraapt omdat het voer aan het snijvlak meestal een beetje is uitgedroogd (als weer droog is) of nat is geworden (als het weer nat is). Zorg ook dat u niet monstert op een plek waar de kuil duidelijk nat is door regen of schimmelt of rot. Meng de monstertjes in de emmer goed.

 

Als de kuil meerdere, duidelijk te onderscheiden lagen bevat, kunt u overwegen om elke laag apart te bemonsteren, zoals hierboven beschreven.

 

Herhaal de bemonstering van de kuil regelmatig, op vaste momenten zodat u een goed beeld heeft van het verloop van het drogestofgehalte van uw ruwvoer.

Balen

Neem kleine hoeveelheden voer op verschillende plekken van verschillende balen. Overweeg om het drogestofgehalte van verschillende balen apart te meten, zo kunt u de variatie inschatten.

Andere grondstoffen

Ook voor andere grondstoffen geldt dat het monster zo representatief mogelijk moet zijn. Zorg er daarom voor dat u het materiaal niet op een plek neemt maar probeer het van meerdere plekken in de voorraad te nemen. Een algemene regel is dat het product niet te fijn moet zijn omdat het anders wegwaait bij de drogestofbepaling. U kunt bijvoorbeeld wel het drogestofgehalte van bierbostel of perspulp meten maar niet dat van een gemalen krachtvoer. Dit laatste kunt u laten meten door een laboratorium of met behulp van andere apparaten.

 

 

Drogestofbepaling


  1. Meng het monster goed.
  2. Tareer de zeef van het drogestoftester als u over een weegschaal met geheugen of met stroomvoorziening beschikt. Bepaal anders het gewicht van de zeeg en schrijf dit op.
  3. Weeg 100 gram van het monster af in de zeef van de drogestoftester. Probeer het materiaal goed in de zeef te verdelen zodat het goed droog kan worden.
  4. Zet de drogestoftester aan en plaats de zeef met 100 gram voer op het apparaat.
  5. Weeg na 20 tot 30 minuten het monster, u ziet dat het gewicht is gedaald, noteer of onthoud dit gewicht en wacht 10 minuten.
  6. Weeg het monster opnieuw. Als het gewicht niet verder is afgenomen weet u dat het monster nu droog is, als het gewicht is afnomen moet u opnieuw 10 minuten wachten en het monster opnieuw weten, tot het gewicht niet meer afneemt. Het drogestofgehalte in percentage is het gewicht dat u overhoudt in de zeef.
  7. Zorg bij het wegen ervoor dat u geen materiaal verliest, schud de zeef bijvoorbeeld niet en plaats hem voorzichtig op de weegschaal.
  8. Noteer het eindgewicht van het monster, dit is het drogestofgehalte van uw voer.

 





De volgende grafiek laat het verloop van het DS gehalte van twee voedermiddelen zien. Het gras was zeer droog grashooi in balen geperst, de bierbostel was gekocht als bierbostel met 22% DS, het hogere DS gehalte komt waarschijnlijk doordat een deel van het vocht is weggelopen.

 


Management

U beschikt over een tester om het drogestof van voermiddelen te bepalen. In dit gedeelte vindt u een paar eenvoudige richtlijnen om uw voermanagement te verbeteren met behulp van deze nieuwe informatie.

Aankoop of verkoop van voer

U kunt de drogestoftester gebruiken bij de aankoop van voer. Door het drogestofgehalte van een voer te bepalen kunt u beoordelen hoe zijn prijs zich verhoudt tot andere voeders. Een graskuil met 40% drogestof die 0.04 euro/ kg kost, kost 0.04/40% = 0.1 euro/ kg DS. Als u weet dat een goedkoop krachtvoer als sojahullen 0.16 euro/kg kost bij 87% DS (0.184 cent/kg DS) ziet u snel dat dit gras goedkoper is dan sojahullen.

Voermanagement van TMR

De samenstelling van gemengde rantsoenen (TMR) wordt door de grondstoffen bepaald. Daarom is het in deze rantsoenen van groot belang om het drogestofgehalte van deze grondstoffen nauwkeurig te weten. Als u bijvoorbeeld een rantsoen voert dat berekend is met 10 kg gras van 40% per koe per dag, en het gras heeft op een bepaald moment 45% drogestof voert u 12.5% meer gras in het rantsoen. Dit heeft vaak tot gevolg dat de voeropname van uw dieren daalt, terwijl de drogestofopname waarschijnlijk gelijk blijft. Het is daarom belangrijk om het drogestofgehalte van ruwvoeders in een TMR regelmatig te meten en eventueel het rantsoen hiermee aan te passen.

 

Na de bepaling van het drogestofgehalte kunt u het rantsoen aanpassen. U doet dit door de hoeveelheid van het ruwvoer in het rantsoen te vermenigvuldigen met het oude drogestofgehalte en het vervolgens te delen door het nieuwe drogestofgehalte. Voor het bovenstaande voorbeeld wordt dit: 10 kg gras*40%/45% = 8.9 kg graskuil.